Soemba 2014

Met een bezoek van enkele dagen aan Soemba komen enkele draden uit het boek Brieven naar de groene hel weer bij elkaar. Het eiland bevindt zich in de navel van het Indonesische eilandenrijk maar heeft altijd buiten de gangbare handels- en migratieroutes gelegen.

soembaAls ik van mijn boek opkijk zie ik de zon langzaam de Indische Oceaan induiken, vrijwel precies in de richting waar aan de andere kant van het grote water Oost-Afrika moet liggen. We hebben als enige gasten een onderkomen gevonden in een gelegenheid die veel lijkt op een lodge in een Tanzaniaans safaripark. Een bungalow met een fantastisch uitzicht, niet op een vallei met baobabbomen maar op de oceaan. Een grote, open eetzaal in traditionale bouw met uitgesneden figuren in de massieve houten pilaren die een dak van stro stutten; niet in de stijl van de Masai, maar van de animistische Soembacultuur. Overdag gaan we met een 4WD en gids op pad, niet om naar wilde dieren te kijken, maar naar dorpjes die nog half in de prehistorie verkeren. Er is geen internet, en meestal geen electriciteit. Het nieuws over mogelijke prestaties in Sotsji en over de lotgevallen van de minister en zijn hachelijke ban(s)anenschil dringen niet tot ons door. We zijn alleen, en van de wereld afgesloten. Zelfs mijn BB laat het afweten op deze plek. Onze enige gesprekspartners zijn de wat schuchtere Franse uitbater van de gelegenheid (hij wilde een radicale wending in zijn bestaan van ingenieur-op- kantoor, en dat moet hem meer dan gelukt zijn) en onze Soembanese gids. De Fransman drukt zijn stempel via de organisatie en samenstelling van het eten, maar ook door een kennelijke diepe interesse in de lokale cultuur. De gids luidt trouw elke alinea in zijn uiteenzettingen aan ons beiden in met ‘Ladies and Gentlemen’.

Soemba ligt ongeveer halverwege Jakarta en West-Papoea. Het maakt deel uit van de Soenda-eilanden en ligt een beetje verloren bezuiden het welbekende rijtje Bali – Lombok – Soembawa – Flores – Timor. De mensen zijn al weer wat donkerder dan op Bali, hoekiger gezichten, iets minder mongoloïde lijkt het.  De theorie dat een australoïde migratie langs de kusten van de Indische Oceaan gevolgd is door een mongoloïde invasie, waarvan de effecten steeds zwakker zijn naarmate je oostelijker komt, lijkt hier op Soemba bevestigd. Maar hoe het precíes zit weet men geloof ik nog steeds niet.

Waar de prehistorische mens Soemba wist te vinden, hebben meer recente invloedsgolven het eiland maar mondjesmaat bereikt. Het hindoeisme is vanuit westelijke richting niet verder gekomen dan Bali, de moslims kwamen tot Soembawa. Alleen op het laatst in de koloniale periode werden er wat missionarissen en zendelingen naar Soemba gestuurd. Zodoende is nog een groot deel van de bevolking animistisch. Men bedient zich van rituelen en gebruiken die antropologisch interessant zijn, maar verlammend werken op de ontwikkeling en nijverheid. Wat we zien doet sterk denken aan de andere oervolkeren van Indonesië, zoals de Torajas op Sulawesi en de Bataks op Sumatra. Door hun excentrische locatie, in de bergen of op een afgelegen eiland, zijn de externe invloeden gering geweest en lijken er veel overeenkomsten te zijn die teruggaan tot de prehistorie. Maar de Papoea’s, waar dat laatste ook voor geldt,  zijn toch een ander slag.

Niettemin zullen geen van deze volkeren ontkomen aan de tentakels van Jakarta en de moderniteiten van de 21ste eeuw.